De Tempelbouwers

Tempelbouwers

Ornament

Kort voor Zijn vertrek uit Adrianopel (Edirne) openbaart Bahá’u’lláh een tekst die Hij in 1869 samenvoegt met Zijn brieven aan Paus Pius IX, Keizer Napoleon III, Tsaar Alexander II, Koningin Victoria en Nasir’id-Din Sháh, en laat kalligraferen in de vorm van een vijfpuntige ster die de menselijke gedaante representeert. Met deze ‘Sura van de Tempel’ (Súriy-i-Haykal) benadrukt Hij, zowel wat betreft titel, inhoud als vorm, dat de ‘Tempel van God’ een ‘levende tempel’ is, en niet een bouwwerk van steen.

Gezien het tijdstip lijkt Bahá’u’lláh Zich met de ‘Sura van de Tempel’ in het bijzonder te richten tot de Duitse christenen die eind oktober 1868 nabij Haifa aan land zijn gegaan en nu aan de voet van de Berg Carmel zijn begonnen met de bouw van een nederzetting. De leider van deze kolonie van zogenoemde ‘tempelbouwers’ is George David Hardegg.

Hardegg wordt in 1812 geboren te Ludwigsburg in het vorstendom Württemberg. Na het gymnasium gaat hij in 1832 in Tübingen geneeskunde studeren. Althans dat is het plan, want nog datzelfde jaar wordt hij gevangengezet wegens betrokkenheid bij een republikeinse couppoging. Als hij in 1840 vrijkomt is dat op voorwaarde dat hij uit Württemberg vertrekt. Hij gaat naar Zwitserland en trouwt daar.

Zijn geloof in een betere toekomst voor Duitsland blijft ongebroken, maar onder invloed van de theoloog Christoph Hoffmann komt hij tot het besef dat de noodzakelijke sociale hervormingen een godsdienstige grondslag moeten hebben. De mensheid, zo propageert Hoffmann, kan slechts worden gered als zij bereid is ‘levende bouwstenen’ te worden voor de ‘Tempel’ — de zuiver christelijke gemeente die in het Heilige Land de terugkeer van Christus zal bespoedigen. Hij verwijst daarbij naar de Openbaring van Johannes 11. In 1854 richten Hoffmann, Hardegg en hun ‘Vrienden van Jeruzalem’ (Freunden Jerusalems) een petitie tot de Duitse Bondsraad waarin deze wordt verzocht om namens hen bij de Ottomaanse Regering te vragen om akkergrond en bescherming in het Heilige Land. Als de petitie wordt afgewezen, besluit men om bij wijze van proef voorlopig de ideale gemeente, de Tempel, in Duitsland zèlf te vestigen. En zo verhuizen Hoffmann en Hardegg in 1856 met een deel van hun achterban naar Kirschenhardthof.

Ondertussen wordt geld ingezameld om Hoffmann, Hardegg en Joseph Bubeck, een gediplomeerde wijnboer, als ‘verspieders’ naar het Heilige Land te sturen om ter plekke de mogelijkheden tot vestiging te onderzoeken. In 1858 vertrekken de drie. Bij terugkomst, zes maanden later, rapporteren zij ‘dat het land weliswaar goed is, maar dat men daar slechts als een georganiseerd volk, dat net als Israel zijn heiligdom en regering meebrengt, kan bestaan.’

Daarom, maar ook omdat Hoffman uit de Evangelische Staatskerk van Württemberg wordt gezet, besluiten de Vrienden van Jeruzalem in 1861 om zich te organiseren in een religieus genootschap onder de naam ‘Duitse Tempel’ (Deutscher Tempel). Het ledental groeit tot zo’n 3.000 ‘Tempelbouwers’ (Templers). Als in 1866 de oorlog tussen Pruisen en de Duitse Bond uitbreekt, menen de Tempelbouwers dat het einde van de wereld nabij is. Een aantal gezinnen pakt hun draagbare bezittingen bijeen en vlucht naar Palestina, maar ziekte en ontbering doen hen terugkeren.

Ondanks deze tegenslag blijft het geloof in het ideaal in stand en in 1868 wordt besloten om Hoffmann en Hardegg nogmaals, maar nu met hun gezinnen, als kwartiermakers vooruit te zenden. En zo komt het gezelschap in de nacht van 30 oktober — slechts enkele maanden na Bahá’u’lláh — vanuit Beirut aan op de rede van Haifa. De eerste maanden verblijft men in twee gehuurde woningen binnen de muren van Haifa en koopt men (via inheemse tussenpersonen) land ten westen van de stad. Het is trouwens op aanraden van de Duitse consul in Beirut dat voor Haifa wordt gekozen: er wonen daar al enkele oriëntaalse christenen, het klimaat is er relatief koel en in geval van nood kan er (maritieme) steun vanuit zee worden geboden. Een kolonie in Haifa zou een goed ‘ontvangst-station’ voor toekomstige immigranten kunnen worden.

Samen met geloofsgenoot Jacob Schumacher (1825-1891), een tot Amerikaan genaturaliseerde Württemberger die zich begin 1869 met zijn gezin vanuit Ohio bij de kolonisten voegt, maakt Hardegg een bouwplan voor de kolonie: zandstenen huizen met rode pannen daken, een tuin rondom en gelegen aan een rechte 30 meter brede straat met aan weerszijden bomen — kortom een voor die tijd en regio opvallende architectuur en plattegrond. Op 23 september kan de eerste steen worden gelegd voor het ‘Gemeenschapshuis’ (Gemeindehaus) — het eerste bouwproject van de Tempelbouwers in het Heilige Land. Hoffmann en zijn gezin vestigen zich ondertussen in Jaffa.

Al kort na aankomst in Haifa, komt Georg Hardegg in contact met daar wonende Perzische bahá’ís. Aan zijn geloofsgenoten in Württemberg schrijft hij:

— ‘In de stad Haifa nabij de Carmel leven enkele Perzen die hun brood verdienen als metaal- en houtbewerkers. Zij vallen op door hun open en vriendelijke gezichten en hun Perzische kledij. Zij zijn leden van een Perzische sekte, welks leider en leden, samen met hun vrouwen, kinderen en bedienden, tezamen zo’n 80 zielen, door de Ottomaanse Regering worden vastgehouden in Akka, drie uur van hier. Er ontwikkelde zich een vriendschap tussen mij en deze Perzen in Haifa en ik kreeg, in de loop van onze gesprekken de indruk dat deze mensen, ondanks alle eigenaardigheden van hun kennis, de waarheid zochten.’ —

— Georg Hardegg

Tempelbouwers

Zicht op Haifa (litho c.1855)

Tempelbouwers

Zicht op Akka (1964)

Tempelbouwers

Akka (c.1918)

Tempelbouwers

Akka met in de verte de Carmel

Passages uit de Sura van de Tempel

(Ongeautoriseerde vertaling)

[1] VERHEERLIJKT is Hij Die Zijn verzen heeft geopenbaard aan hen die begrijpen. Verheerlijkt is Hij Die Zijn verzen openbaart aan hen die waarnemen. Verheerlijkt is Hij die leidt wie Hij wil op Zijn pad. Zeg: Ik ben waarlijk het Pad van God voor allen die in de hemelen en op aarde zijn; goed ga het hen die zich daarnaar voortspoeden! […]

[13] Wij, waarlijk, hebben beschikt dat deze Tempel de bron is van alle bestaan in de nieuwe schepping, opdat allen met zekerheid Mijn macht zullen kennen om datgene te bereiken wat Ik heb beoogd met Mijn woord “Wees”, en het is! In de schaduw van elke letter van deze Tempel zullen Wij een volk doen opstaan welks aantal niemand kan berekenen behalve God, de Helper in nood, de Bij-Zichzelf-bestaande. Weldra zal God uit Zijn Tempel mensen doen uitgaan die onaangedaan zullen blijven door de verdachtmakingen der opstandigen, en die te allen tijde zullen drinken uit de beker die het ware leven is. Zij behoren werkelijk tot de gelukzaligen. […]

[17] O Levende Tempel! Sta op door de kracht van Uw Zelf op zo’n wijze dat al het geschapene zal worden aangezet om met U op te staan. Steun dan Uw Heer door het overwicht en de macht die Wij U hebben verleend. Pas op dat U niet weifelt op de Dag dat al het geschapene vervuld is van ontzetting; wees veeleer de onthuller van Mijn naam, de Bij-Zichzelf-bestaande. Help uw Heer zo goed als U kunt en sla geen acht op de volkeren der wereld, want wat hun mond voortbrengt is als het gezoem van een mug in een eindeloze vallei. Drink het water des levens in Mijn naam, de Al-Barmhartige, en bied de naasten onder de bewoners van deze hemelse tuin datgene aan wat hen onthecht zal maken aan alle namen en hen onder deze gezegende en allesomvattende schaduw zal brengen. […]

[36] O Levende Tempel! Wij hebben U, waarlijk, benoemd tot het teken van Mijn majesteit temidden van al wat is geweest en al wat zal zijn, en hebben U aangesteld tot het embleem van Mijn Zaak tussen hemel en aarde, door Mijn woord “Wees”, en het is! […]

[44] Zeg: In Mijn tempel wordt slechts de Tempel van God gezien, in Mijn schoonheid slechts Zijn Schoonheid, in Mijn wezen slechts Zijn Wezen, in Mijn zelf slechts Zijn Zelf, in Mijn beweging slechts Zijn Beweging, in Mijn berusting slechts Zijn Berusting, en in Mijn pen slechts Zijn Pen, de Machtige, de Al-Geprezene. Er was in Mijn ziel niets dan de Waarheid, en in Mijzelf kon niets anders worden gezien dan God. […]

[48] O Tempel van de Zaak! Treur niet als U niemand vindt die klaar is om Uw geschenken te ontvangen. U bent geschapen om Mijnentwil; houdt u daarom bezig met Mij te loven temidden van Mijn dienstknechten. Dit is wat voor U is verordend in de Goed-Bewaarde Tafel. Nadat Wij op aarde menig vuile hand hadden aangetroffen, hebben Wij de zoom van Uw kleed geheiligd tegen de godslastering van hun aanraking en deze buiten het bereik van de goddeloze geplaatst. Wees geduldig in de Zaak van Uw Heer, want weldra zal Hij geheiligde harten en verlichte ogen doen opstaan die vanuit elke windstreek naar Uw allesomvattende en grenzeloze genade zullen vluchten. […]

Bronnen — The Summons of the Lord of Hosts - Haifa 2002; Adib Taherzadeh: The Revelation of Bahá’u’lláh, volume III - Oxford 2004.

Lees ook: Georg Hardegg en zijn kolonie

Ga terug naar: Geschiedenis in vogelvlucht